Goto content
Login

C.V.A.

Een cerebro-vasculair accident kan enerzijds veroorzaakt worden door een bloeding in de hersenen (hersenembolie) of door een bloedklonter die een bloedvat in de hersenen verstopt (herseninfarct). Normalerwijze zal dit in beide gevallen aanleiding tot een halfzijdige verlamming (hemiplegie). Afhankelijk van de locatie van de bloeding of het infarct en afhankelijk van de hevigheid en evolutie van de reactie van het omliggend hersenweefsel zal het verloop van dit ziektebeeld verschillen. Hierna beschrijven we het verloop van een typisch geval van een centrale bloeding in de hersenen.

Acute fase

In de acute fase verliest het slachtoffer meestal het bewustzijn. Dit bewustzijnsverlies wordt veroorzaakt door de overdruk op de hersenen door de bloeding. In tegenstelling tot een bewustzijnsverlies door een te lage bloeddruk, zal het aangezicht hier eerder gezwollen en roze zijn. Ook de hartslag is sterk en duidelijk voelbaar. De pupillen zijn verwijd en de ogen draaien naar de zijde van het hersenletsel. Ook het hoofd is gedraaid naar dezelfde zijde. De ledematen zijn slap, verlamd en vertonen geen reflexen.

Slappe fase

Indien de patiënt niet overlijdt tijdens de acute fase zal hij terug bij bewustzijn komen binnen enkele uren of dagen. Daarbij zal het hartritme en de koorts stijgen. De patiënt wordt rusteloos en geagiteerd. De patiënt vertoont een halfzijdige verlamming van de romp en de ledematen en dit aan de tegenovergestelde zijde van de hersenhelft waar het letsel is. Dan begint een graduele recuperatie waarbij de reflexen in de ledematen van de niet-aangetaste zijde eerst terugkomen. De aangetaste zijde blijft voor enkele dagen of weken verlamd en slap. Uitzonderlijk kan ook vrij vroeg in deze fase spasticiteit voorkomen, maar gewoonlijk zal de spasticiteit zich geleidelijk en slechts later ontwikkelen. De arm is meestal erger aangetast dan het been of de romp. Daarbij recupereren de fijn-motorische bewegingen van de vingers veel trager in vergelijking met de meer grove motoriek. Het aangezicht is meestal het minst aangetast en recupereert het best.

Fase met spasticiteit

In een derde stadium, het stadium van residuele spasticiteit, zal de patiënt typisch zijn arm dicht tegen het lichaam houden, de elleboog half gebogen, de voorarm in pronatie en de pols en vingers gebogen. Het been wordt stijf gehouden met gestrekte knie, buitenwaartse rotatie en de voet in plantaire flexie. De patiënt heeft moeite met het evenwicht houden en zal zijn gewicht spontaan meer op de onaangetaste zijde plaatsen en dit zowel in zit, stand of bij het gaan. Het gangpatroon is verder gekenmerkt door een buitenwaarts zwaaien van het aangetaste been met een slepende voet. Verder zal de normale flexie in de knie bij hielcontact en het gradueel afrollen van de voet niet aanwezig zijn. De voet slaat ongecontroleerd neer en de knie wordt biomechanisch in extensie getrokken, nog versterkt door de spasticische quadriceps. Het precies verloop van het ziektebeeld blijft moeilijk te voorspellen, maar de proefondervindelijke ervaring van de fysiotherapie onderstreept het belang van vroege behandeling. Er werd algemeen vastgesteld dat bij veel patienten een vroege behandeling de mate van residuele spasticiteit kan verminderen. Indien de patiënt totaal met rust gelaten wordt en toegestaan wordt om gelijk welke lighoudingen aan te nemen zal het spastisch patroon veel sterker optreden.